Vitamines
Wanneer we kijken naar de vitamines dan kunnen deze worden ingedeeld in de zogenaamde in vetoplosbare en de in water oplosbare vitamines, waarbij deze laatste groep weer kan worden onderverdeeld in vitamines met een zogenaamde co-enzymfunctie en vitamines zonder co-enzymfunctie. Onder een co-enzym wordt een onderdeel van een enzym bedoeld dat het enzym activeert. Een enzym is een stof die een chemische reactie in gang kan zetten, een soort katalysator. Het zijn vooral de vitamines van het B-complex die deze co-enzymfunctie vervullen. Vitamine C, dat ook in water oplosbaar is heeft geen co-enzymfunctie. De vitamines die in vet oplosbaar zijn, zijn vitamine A, D, E, K. De vitamines hebben allen een specifieke of meerdere specifieke werkingen: Zo is vitamine B1 (thiamine) zeer nauw betrokken bij de stofwisseling van koolhydraten. Het stimuleert de aanmaak van glycogeen uit glucose, maar ook de afbraak van glycogeen tot glucose en de verdere verbranding van glucose waarbij energie vrijkomt in de vorm van ATP. Om deze reden wordt de hoeveelheid vitamine B1 die nodig is afgeleid van de energie-inname. Vitamine B2 (riboflavine) is een vitamine dat een belangrijke functie heeft in de afbraak, maar ook weer de opbouw van vetten en eiwitten. Hierbij ontstaat dan weer energie; de benodigde hoeveelheid is dan ook weer afhankelijk van de hoeveelheid ingenomen energie. Maar is ook afhankelijk van de eiwitinname omdat dit vitamine de werking van een ‘collega’ vitamine stimuleert, namelijk vitamine B6 (pyridoxine). Vitamine B6 speelt een zeer evidente rol bij de vorming van (lichaams)eiwit en als zodanig dus bij de spieropbouw. Een vitamine, dat erg belangrijk is bij de energievoorziening is het vitamine B3 (niacine). Dit vitamine heeft een functie bij zowel de afbraak als de opbouw van vetten, eiwitten en koolhydraten (glucose en glycogeen). Het kan in de stofwisseling omgezet (gereduceerd) worden waarbij een stof ontstaat die bij verder omzetting zeer veel energie oplevert. Gezien de rol die vitamine B3 heeft wordt het ook juist ook wel eens ontraden. Het zou dan de vetverbranding stimuleren. Een te lage inname van dit vitamine lijkt niet wenselijk gezien de belangrijke functie die het heeft bij de energiestofwisseling. Vitamine B7 (biotine) wordt tegenwoordig veel toegevoegd aan preparaten. Het speelt een belangrijke rol bij de afbraak en opbouw van vetten en koolhydraten. Foliumzuur (vitamine B11) en vitamine B12 (cobalamine) zijn belangrijk bij de eiwitopbouw en de aanmaak van ons celmateriaal; het DNA. De functies zijn nauw aan elkaar verwant. Vitamine C is een van de anti-oxidantvitamines. Het kan dus vrije radicalen wegvangen en onschadelijk maken. Daarnaast stimuleert dit vitamine de ijzeropname. Andere vitamines die een anti-oxidantwerking hebben zijn vitamine E (tocoferol) en A (retinol). Vitamine A kan het lichaam ook zelf maken uit de zogenaamde beta-caroteen, stoffen die in met name groene en roodachtige plantaardige producten voorkomen. Vitamine A is een vitamine dat bij zeer hoge innamen schadelijk gevolgen kan hebben voor de gezondheid. Het kan leiden tot zwelling van de (pijp)beenderen. Vandaar dat de Nederlandse overheid een maximaal gehalte voor het toevoegen van dit nutriënt heeft vastgesteld; per dagdosis mag er niet meer dan 1200 mcg in een supplement aanwezig zijn. Ook de toevoeging van vitamine D (calciferol), belangrijk bij de botontwikkeling, is gebonden aan een maximum van 5 mcg/dag. Vitamine D kan het lichaam (de huid) ook zelf maken onder invloed van zonlicht. Een teveel aan vitamine D kan leiden tot verkalking van verschillende organen zoals nieren en lever.
Naast deze echte vitamines kennen we nog een aantal vitamine-achtige stoffen. Dit zijn geen echte vitamines omdat ze of normaal niet in de voeding aanwezig zijn of niet voor de mens onmisbaar zijn of het stoffen zijn het lichaam zelf kan maken. Voorbeelden zijn carnitine, taurine, choline en (myo)-inositol. Taurine is een stof die te vergelijken is met cafeïne en een werking heeft op het zenuwstelsel. Het zou de alertheid en het aerobe vermogen verhogen. Onderzoek laat voor alsnog geen positief effect op de prestatie zien. Choline en (myo)-inositol zijn zogenaamde lipotrope stoffen. Dit zijn stoffen die onder bepaalde omstandigheden vetten kunnen mobiliseren en als zodanig de verbranding ervan zouden stimuleren. Bij klinische patiënten wordt het inderdaad wel gebruikt. Maar een ergogeen effect bij sporters is niet echt aangetoond. Er is een onderzoek dat een mogelijk positief effect rapporteert van cholinegebruik, echter nader onderzoek dient verricht te worden.