Voedingsupplementen en krachtsport
Het gebruik van voedingssupplementen in de sport lijkt een geweldige vlucht te nemen of reeds genomen te hebben. Waren deze voedingsmiddelen voorheen vooral te verkrijgen bij de apotheek of soms de drogist, vandaag de dag zijn ze wijdverbreid in de detailhandel te verkrijgen zoals warenhuizen, supermarkten, sportclubs en -centra. Het lijkt erop of er dagelijks nieuwe producten bijkomen. Over de zin en onzin van deze voedingssupplementen wordt veel geschreven. Onderzoeksresultaten zijn niet eensluidend, hetgeen ruimte creëert voor verschillende interpretaties en visies, hetgeen weer terug te vinden is in de advisering en begeleiding. In onderstaande uiteenzetting wordt een overzicht gegeven van de werking van een aantal van deze supplementen. Getracht is een zo neutraal mogelijk overzicht te geven.
Over het algemeen kunnen er een drietal redenen worden aangehaald waarom sporters supplementen zijn gaan gebruiken. Allereerst is daar het mogelijk ergogeen (prestatieverbeterend) effect dat aan deze middelen wordt toegeschreven. Een tweede argument is het feit dat men de mening is toegedaan dat de reguliere voeding te weinig (voedings)stoffen bevat. Men gebruikt in dit geval de supplementen dus als een aanvulling op zogenaamde tekorten in de voeding. Een derde reden voor het gebruik komt voort uit de gedachte dat sporters een verhoogde behoefte zouden hebben aan verschillende (voedings)stoffen en dat die hoeveelheden niet met een normale voeding te ‘scoren’ zijn.
Wanneer we kijken naar de vitamines- en mineralensupplementen kunnen we een onderscheid maken in monosupplementen en combinatiesupplementen. Met monosupplementen worden preparaten bedoeld die over het algemeen een enkele voedingsstof bevatten, bijvoorbeeld een vitamine C of een ijzersupplement. De combinatiesupplementen zijn weer onder te verdelen in supplementen waarin gelijksoortige vitamines voorkomen; de zogenaamde complexpreparaten. Een voorbeeld hiervan zijn de preparaten die vooral vitamine van het B-complex bevatten. Een andere groep binnen de combinatiesupplementen zijn de multivitamines, al dan niet in combinatie met mineralen. Deze groep maakt ongeveer 25% van de totale groep van vitamines- en mineralensupplementen uit. Tenslotte zijn er binnen deze categorie ook supplementen die zowel macronutriënten (eiwit, vetten, koolhydraten) als micronutriënten (vitamines en mineralen) bevatten. Te denken valt bijvoorbeeld aan koolhydraatrijke dranken of poeders waaraan men een bepaalde hoeveelheid vitamine B1 heeft toegevoegd vanwege de rol die dit vitamine heeft bij de koolhydraatstofwisseling. Een ander voorbeeld is een aantal eiwitsupplementen met toevoeging van vitamine B6. Naast deze twee groepen van supplementen zijn er ook nog de zogenaamde functionele voedingsmiddelen. Dit zijn middelen die voorzien in stoffen die geen echte voedingsstof zijn, maar wel een belangrijke werking (zouden) hebben bij fysieke inspanning. Voorbeelden hiervan zijn creatine, carnitine en ginseng. Niet zelden worden ook aan deze producten vitamines en mineralen toegevoegd. Als laatste groep van voedingsmiddelen die bijdraagt aan de verhoogde inname van vitamines en mineralen zijn de zogenaamde verrijkte voedingsmiddelen te noemen. Sinds 1996 mogen fabrikanten onder bepaalde condities vitamines en mineralen toevoegen aan gewone voedingsmiddelen. Voorbeelden hiervan zijn sinaasappelsap met extra vitamine C of melk met extra calcium.
Supplementen die vandaag de dag grote aftrek genieten, zijn de zogenaamde anti-oxidanten. Het is wellicht daarom zinvol even wat langer stil te staan bij deze groep, die te scharen zijn onder de multivitamines- en mineralensupplementen. Het adviseren van anti-oxidanten komt deels voort uit de orthomoleculaire geneeskunde en voedingsleer, waarbij het gebruikelijk is zeer hoge doseringen aan micronutriënten te gebruiken. Een en ander heeft te maken met zogenoemde vrije radicalen. Vrije radicalen zijn zeer reactieve deeltjes/moleculen, die reacties kunnen aangaan met andere stoffen, bijvoorbeeld lichaamsweefsels. Hierbij kan er schade aan deze weefsels ontstaan. Normaal gesproken heeft het lichaam een soort van buffer voor het onschadelijk maken van deze stoffen in de vorm van een aantal enzymen. Ook de voeding levert stoffen die deze vrije radicalen onschadelijk kunnen maken; de zogenaamde anti-oxidanten. Voorbeelden hiervan zijn vitamine E en vitamine C. De productie van vrije radicalen lijkt tijdens fysieke (anaërobe) inspanning toe te nemen. Bepaalde theorieën gaan ervan uit dat extra anti-oxidanten nodig zijn om de vrije radicalen die tijdens inspanning ontstaan onschadelijk te maken. De normale voeding zou volgens deze theorie onvoldoende voorzien in anti-oxidanten en ook de buffercapaciteit van het lichaam zelf zou in principe onvoldoende zijn. Echter onderzoek heeft aangetoond dat tijdens lichamelijk inspanning de antioxidatieve activiteit van het lichaam toeneemt en de capaciteit van het lichaam om vrije radicalen onschadelijk te maken verder kan toenemen door training. De vraag is nog of deze stijging in antioxidatieve capaciteit voldoende is om de vergrote productie van vrije radicalen tijdens inspanning het hoofd te bieden. Verder onderzoek op dit gebied lijkt plaats te moeten vinden, zeker gezien het feit dat sommige onderzoekers suggereren dat hoge innamen van bepaalde anti-oxidanten niet zonder schadelijke effecten hoeft te zijn. Een voorbeeld hiervan is een stof die onder de naam co-enzym Q10 op de markt komt.