Samenvatting
Van den Heuvel, M., J. van Kalmthout, F. van den Houdt. Doping in de breedtesport. Een onderzoek naar de aard en omvang van het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport. WJH Mulier Instituut en NeCeDo, Capelle a/d IJssel, 2002.
Aanleiding
Het huidige beleid van de Nederlandse overheid is erop gericht om de prevalentie van het dopinggebruik in de topsport en breedtesport te verminderen. Op dit moment bestaan er nauwelijks cijfers over dopinggebruik die specifiek zijn gericht op de (georganiseerde) breedtesport. Ter ondersteuning van eventueel nog te ontwikkelen beleid ten aanzien van dopinggebruik in de breedtesport, wil het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo) een gedegen inzicht in de aard en omvang van het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport. Ook het ministerie van VWS had om dat inzicht verzocht mede naar aanleiding van vragen in de Tweede Kamer. Aan Diopter - Janssens & Van Bottenburg bv (per 1 mei 2002 opgegaan in het WJH Mulier Instituut) is gevraagd onderzoek hiernaar te verrichten. Het NeCeDo is opdrachtgever van het onderzoek. Naast het ministerie van VWS vormden de International Health Foundation (IHF) en NOC*NSF de partners van het NeCeDo bij dit onderzoek. Het voorliggende rapport doet van dit onderzoek verslag.
Doelstelling en onderzoeksvragen
De doelstelling van het onderzoek luidt:
Het verkrijgen van inzicht in de aard en omvang van het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport en het bieden van aanknopingspunten voor beleid op het terrein van doping.
Het gebruik van dopinggeduide middelen vormt de belangrijkste invalshoek van het onderzoek. De aandacht gaat echter ook uit naar het gebruik van voedingssupplementen en vitaminepreparaten. Dit heeft twee redenen. Ten eerste is over het gebruik van deze laatste middelen door sporters weinig bekend noch is duidelijk of het gebruik ervan een opstap kan zijn voor het gebruik van doping. Daarom is inzicht hierin gewenst. Ten tweede verkrijgt het onderzoek door ook deze middelen erin te betrekken een bredere gezondheidsoptiek wat de benadering van de sporters vergemakkelijkt.
De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd:
Onderzoeksmethoden
Om betrouwbare antwoorden op de onderzoeksvragen te verkrijgen, zijn in het onderzoek kwantitatieve en kwalitatieve methoden gebruikt. In de eerste fase van het onderzoek stonden de literatuurstudie, de enquêtes en gesprekken met personen rondom de sporter (sportartsen, trainers en verzorgers) en de secundaire analyse van het Nationaal Prevalentie Onderzoek (NPO) centraal en in de tweede fase stond de enquête onder sporters voorop. De literatuurstudie geeft een overzicht van Nederlandse en buitenlandse studies naar het gebruik van dopinggeduide middelen in de topsport en breedtesport. Daarnaast heeft de literatuurstudie geleid tot een conceptueel model dat inzicht geeft in de factoren die een rol spelen bij het gebruik van dopinggeduide middelen.
Het NPO is een uitgebreid landelijk representatief onderzoek naar drugsgebruik waarbij in de enquête onder meer is gevraagd naar het gebruik van dopinggeduide middelen. Als gevolg van de brede opzet van het NPO zijn de resultaten te beschouwen als een ondergrens ten aanzien van het gebruik van dopinggeduide middelen.
De gesprekken met de sleutelinformanten dienden als achtergrondinformatie en als opstap voor de samenstelling van de verschillende vragenlijsten. De gesprekken met de hulp- en zorgverleners bij sportverenigingen, de enquête onder sportartsen en de enquête onder trainers waren bedoeld om via verschillende kanalen uit de omgeving van de sporter indicaties te verkrijgen voor de prevalentie van het gebruik van dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport.
De meeste directe methode waarmee de aard en omvang van het gebruik van dopinggeduide middelen is vastgesteld, was de enquête die is gehouden onder 723 georganiseerde breedtesporters in zes takken van sport: krachtsport, wielrennen, atletiek, vecht- en verdedigingssporten, voetbal en hockey. Het ging hierbij om wedstrijdsporters op hoog niveau binnen het amateur circuit.
Aard en omvang van het gebruik van voedingssupplementen, vitaminepreparaten en dopinggeduide middelen
Via de secundaire analyse van het NPO en de enquête onder de sporters is op een kwantitatieve wijze onderzocht wat de aard en omvang van het gebruik is.
Het NPO 1997 en 2001
Het NPO is gehouden in 1997 en in 2001 en is representatief voor de Nederlandse bevolking van 12 jaar en ouder voor wat betreft leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en woonomgeving. In de vragenlijst wordt gevraagd of men ooit drugs of doping heeft gebruikt (lifetime prevalentie) en of men het laatste jaar heeft gebruikt (last year prevalentie ofwel huidige gebruikers). De lijst met doping die aan de respondenten werd voorgelegd, betrof de middelen anabole steroïden, groeihormonen, EPO, schildklierpreparaten, clenbuterol, stimulantia (amfetamine, cocaïne, efedrine, cafeïne in hoge dosering).
De belangrijkste conclusies van de secundaire analyse van het NPO 1997 en 2001 luiden:
De enquête onder sporters
Deze enquête was de meest directe manier om de aard en omvang van het gebruik van voedingssupplementen, vitaminepreparaten en dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport in kaart te brengen. Op basis van gesprekken, de literatuurstudie en de NPO data kon een zeer lage prevalentie worden verwacht wanneer de 'gemiddelde breedtesporter' zou worden benaderd. Daarom is de methode van targeted sampling toegepast. Er is een selectie gemaakt van zes sporttakken: krachtsport, wielrennen, atletiek, vecht- en verdedigingssporten, voetbal en hockey. Allereerst zijn sporttakken geselecteerd waarvan op grond van de literatuurstudie en de gesprekken met en enquêtes onder personen rondom de sporters, kon worden aangenomen dat zich daar een verhoogde kans zou voordoen op het gebruik van dopinggeduide middelen. Het ging hierbij om de krachtsport en het wielrennen en in mindere mate om atletiek en de vecht- en verdedigingssporten. Daarnaast zijn nog twee teamsporten toegevoegd om een vergelijking mogelijk te maken, te weten voetbal en hockey.
Vervolgens is binnen de sporttakken een selectie gemaakt van wedstrijdsporters op het hoogste niveau van de amateurs omdat de kans op het gebruik van dopinggeduide middelen vermoedelijk hoger is naarmate het niveau van de sportbeoefening stijgt.
In de enquête werd een uitgebreidere lijst van dopinggeduide middelen gehanteerd dan in het NPO. Aan de respondenten is expliciet gevraagd of zij de middelen gebruikten om de sportprestatie te verbeteren of om andere doeleinden. De reden om de sportprestatie te verbeteren is gedefinieerd als intentioneel dopinggebruik en de percentages hebben hierop betrekking.
Gelet op de gehanteerde methode zijn de resultaten te beschouwen als een bovengrens van het gebruik van voedingssupplementen, vitaminepreparaten en dopinggeduide middelen in de georganiseerde breedtesport.
De belangrijkste conclusies van de enquête onder sporters luiden:
De twee meest in het oog springende sporttakken waar het gaat om het gebruik van dopinggeduide middelen zijn de krachtsport en het wielrennen. Bij krachtsport valt het relatief hoge gebruik op, ook wanneer een aantal middelen niet wordt meegerekend. Bij het wielrennen valt op dat het gebruik van dopinggeduide middelen alleen relatief hoog is indien wordt uitgegaan van een uitgebreide lijst met dopinggeduide middelen (inclusief cafeïne).
Verder valt op dat voedingssupplementen en dopinggeduide middelen bij het wielrennen meer in de aandacht staat dan bij de andere sporten. Dit valt op te maken uit de enquête onder de trainers uit het Verenigingspanel (de gemiddelde trainer) en onder KNWU-trainers. Deze laatste praten vaker met hun sporters over dit onderwerp en geven vaker voorlichting hierover. Daarnaast hebben de KNWU-trainers veel meer uitgesproken opvattingen over doping dan de gemiddelde trainer die op de voorgelegde stellingen vaker een neutraal standpunt inneemt. Zo vinden KNWU-trainers dat de dopinglijst van het IOC korter moet, terwijl een groot deel van de trainers uit het Verenigingspanel zich neutraal opstelt.
Opvattingen over doping en behoefte aan voorlichting
Het gebruik van dopinggeduide middelen wordt door de meerderheid van de ondervraagde wedstrijdsporters afgekeurd, terwijl 38% vindt dat doping onder bepaalde omstandigheden toelaatbaar is. Ook de omgeving van de sporter (trainers, verzorgers, ouders, artsen, medesporters) wijst het gebruik af.
Enige tegenstrijdigheid blijkt bij de behoefte aan meer informatie en voorlichting over voedingssupplementen, vitaminepreparaten en dopinggeduide middelen. Aan de ene kant hebben de meeste ondervraagde wedstrijdsporters geen behoefte aan meer informatie over de werking van dopinggeduide middelen, voedingssupplementen en vitaminepreparaten, waarbij moet worden opgemerkt dat de groep die wel behoefte heeft aan meer informatie hierover, vooral bestaat uit krachtsporters en wielrenners.
Aan de andere kant vindt een meerderheid van de wedstrijdsporters dat er in de breedtesport meer voorlichting moet komen over dopinggeduide middelen. Voor zichzelf weten de wedstrijdsporters kennelijk voldoende, maar voorlichting in de breedtesport in algemene zin wordt toegejuicht.