Gedachtecontrole
Er bestaat een directe relatie tussen zelfvertrouwen en succes. Sporters kunnen leren om met gebruik van zelfspraak het vertrouwen op te bouwen en het leren en uitvoeren van bewegingen te vergemakkelijken. Er bestaan verschillende methoden en technieken om gedachten te veranderen, te stoppen en om te buigen. Sporters moeten zich bewust zijn van de hoeveelheid inzet en tijd die het leerproces met zich mee kan brengen.
Gedachtecontrole is een belangrijke component van de mentale training. Een sporter kan zich namelijk lichamelijk prima voelen, hij is ontspannen en heeft de juiste beelden. Eén ‘verkeerde’ gedachte, één gedachte die afleidt van de taak, kan funest zijn. Het prettige gevoel is weg, en wordt vervangen door spanning en zorgen maken. Gedachten en gevoelens zijn erg belangrijk voor prestaties. Daarom is gedachteverandering ook belangrijk.
Gedachten en gevoelens uiten zich vaak door self-talk (zelfspraak). Sporters praten dan tegen zichzelf of hebben gedachten over de omgeving of over zichzelf. Zelfspraak wordt gebruikt om angst, aandachtsgerichtheid, motivatie, agressie en dergelijke aan te passen en te veranderen. Bij het gebruik van zelfspraak zijn de volgende zaken van belang:
* Zelfspraak om irrationele gedachten te veranderen, dienen te maken te hebben met algemene observaties: ‘ik wil altijd mijn best doen, maar ik hoef niet te eisen dat ik perfect ben’
* Zelfspraak om agressie onder controle te houden, betekent het juist plaatsen van de gevoelens van agressie: ‘ik moet niet denken aan het verwonden van een ander of hem pijn te doen, maar kan beter mijn best doen als ik boos ben op iemand’
* Zelfspraak in combinatie met verbeelding kan goed gebruikt worden voor het aanleren en verfijnen van technieken in een sport
* Zelfspraak om de aandachtsgerichtheid te verbeteren wordt waarschijnlijk het meest gebruikt en is erg belangrijk.
Sporters gebruiken in het algemeen twee manieren. De eerste is om door middel van zelfspraak afleidingen uit de omgeving te negeren, zoals toeschouwers en pers. De tweede manier is om door middel van zelfspraak de aandacht te richten op de waarnemingen met relevante informatie binnen de sport. Voorbeeld: een gewichtheffer had problemen met de concentratie voor de oefeningen, voornamelijk na een aantal goede prestaties in de wedstrijden. Het bleek dat de scores van zijn concurrenten hem afleidden. Hij was bezig met het voldoen aan zijn eigen hoge verwachtingen. Hij ging zich meer en meer zorgen maken, wat een invloed had op de aandacht. De aandacht verschoof van het uitvoeren van de oefening zelf naar de toekomst waarin een totaal gehaald diende te worden. Deze aandachtsverschuiving zorgde ervoor dat het uitvoeren van de oefening minder effectief verliep. Om dit aan te pakken kunnen verbeeldings- en gedachtecontroletechnieken worden gebruikt. De gewichtheffer kan gestimuleerd worden om haar zelfspraak te veranderen. In plaats van ‘ik moet de totaalscore ophalen’ wordt de gedachte ‘ik vergeet de anderen en de scores en richt me op mijn eigen oefeningen’.
Enkele andere suggesties om de gewichtheffer positief en reëel de wedstrijd te laten benaderen zijn: ‘Ik ben alleen met het gewicht’, ‘ik heb geen rekenmachientje in mijn hoofd’ en ‘ik heb alleen beelden van perfecte en prachtige oefeningen en bewegingen in mijn hoofd’.
Gedachteverandering gebeurt niet zomaar. Dit wordt gedaan aan de hand van het 4g-schema (Ellis, 1962). Het 4g-schema verwijst naar gebeurtenis, gedachten, gevoelens en gedrag. De grondgedachte is dat het niet de gebeurtenissen zelf zijn die mensen uit hun evenwicht halen, maar de manier waarop mensen ze zien of ervaren.
4 G - S C H E M A
Gebeurtenis Foto-controle
Gedachten Nieuwe gedachten
Gevoelens Nieuwe gevoelens
Gedrag Nieuw gedrag
In een gebeurtenis wordt nagegaan hoe een sporter zich voelt. Het uitgangspunt is dat de gebeurtenis op zich geen druk of andere gevoelens kan veroorzaken. De gedachten die iemand heeft, kan dat wel. Bijvoorbeeld een strafschop in de laatste minuut die beslist over winst en verlies, kan op zich geen druk veroorzaken. De gedachte ‘o jee, als ik maar niet mis’ wel. Sporters hebben veel gedachten die ze eigenlijk niet zouden willen hebben. Over die gedachten is een aantal vragen te stellen:
is de gedachte waar, is de gedachte gebaseerd op feiten?
helpt de gedachte te bereiken wat je bereiken wilt?
helpt de gedachte je te voelen zoals je je wilt voelen?
Deze vragen worden samengevoegd tot: ‘heb je er iets aan om dat te denken, ga je daardoor beter sporten?’ Als het antwoord hierop ‘nee’ is, dient de gedachte te worden veranderd. Als deze techniek goed wordt toegepast, is het resultaat dat de sporter zijn aandacht kan sturen. Door middel van zelfspraak richt hij of zij zijn aandacht op de relevante waarnemingen in zijn sport.